direct naar inhoud van Artikel 4 Bedrijventerrein
Plan: Wymbritseradiel-Oost
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.06830000WYMOOSTOPP-

Artikel 13 Woongebied

1.              Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor "woongebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.              wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroepen;

b.              bedrijven die zijn genoemd in de bij deze voorschriften als bijlage 1 opgenomen Staat van bedrijven onder de categorieën 1 en 2, uitsluitend voor zover de gronden op de plankaart zijn aangeduid met "bedrijf";

c.        klussenbedrijf, uitsluitend voor zover de gronden op de plankaart zijn aangeduid met "klussenbedrijf";

d.              sauna/schoonheidscentrum, uitsluitend voor zover de gronden op de plankaart zijn aangeduid met "sauna";

e.        groenvoorzieningen;

f.          openbare nutsvoorzieningen;

g.        verkeers- en verblijfsvoorzieningen;

h.          water.

 

2.              Bouwvoorschriften

a.              Voor het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen gelden de volgende bepalingen:

1.              hoofdgebouwen, uitgezonderd aan- en uitbouwen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

2.              het aantal woningen mag niet meer dan het bestaande aantal per bouwvlak dan wel het op de plankaart aangegeven aantal woningen per bouwvlak bedragen;

3.              de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen (uitgezonderd aan- en uitbouwen) mag niet meer dan de op de plankaart aangegeven goot- en bouwhoogte bedragen;

4.              de dakhelling van hoofdgebouwen (uitgezonderd aan- en uitbouwen) mag niet minder dan de op de plankaart aangegeven dakhelling bedragen;

5.              in aanvulling op het bepaalde onder 3 en 4 geldt dat voor de op de plankaart als "karakteristiek" aangeduide hoofdgebouwen de bestaande hoofdvorm (goothoogte, bouwhoogte, dakhelling), gehandhaafd dient te blijven;

6.              niet meer dan 50% van een bouwperceel mag worden bebouwd.

 

 

b.              Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten behoeve van wonen gelden de volgende bepalingen:

1.              aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen ten minste 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd;

2.              de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd;

3.              de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 5,5 m bedragen;

4.              de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan

3 m bedragen;

5.              de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en aan het hoofdgebouw gebouwde bijgebouwen mag niet meer dan 7 m bedragen, met dien verstande dat:

a.             de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en aan het hoofdgebouw gebouwde bijgebouwen minimaal

1 m lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

b.             de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en aan het hoofdgebouw gebouwde bijgebouwen die binnen een afstand van 3 m tot de bouwperceelsgrens worden gebouwd, niet meer dan 5 m mag bedragen;

6.              de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer dan
100 m² bedragen, met dien verstande dat:

a.             niet meer dan 50% van een bouwperceel mag worden bebouwd;

b.             de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag bedragen;

c.             in afwijking van het bepaalde onder b per woning ten minste 50 m² aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd.

 

c.              Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

1.              de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 1 m bedragen;

2.              de bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;

3.              de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.

 

3.              Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

-                 de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

-                 het straat- en bebouwingsbeeld;

-                 de sociale veiligheid;

-                 de verkeersveiligheid;

-                 de woonsituatie;

nadere eisen stellen aan de plaats en oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte van de bebouwing.

 

4.              Vrijstelling van de bouwvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

-                 de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

-                 het straat- en bebouwingsbeeld;

-                 de sociale veiligheid;

-                 de verkeersveiligheid;

-                 de woonsituatie;

vrijstelling verlenen van:

a.              het bepaalde in lid 2, sub a, onder 2 voor een groter aantal woningen per bouwvlak;

b.              het bepaalde in lid 2, sub b, onder 1 voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op minder dan

3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw;

c.              het bepaalde lid 2, sub b, onder 5b voor het bouwen van aan- en uitbouwen en aan het hoofdgebouw gebouwde bijgebouwen met een bouwhoogte van niet meer dan 7 m .

 

5.              Gebruiksvoorschriften

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken dan wel te laten gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven bestemmingsom-schrijving. Als verboden gebruik wordt in elk geval aangemerkt:

-                 niet-permanente bewoning;

-                 het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige bewoning;

-                 het gebruik van de gronden en bouwwerken op de plankaart aangeduid met “klussenbedrijf” ten behoeve van bewoning;

-                 het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen;

-                 het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

 

6.              Vrijstelling van de gebruiksvoorschriften

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 5, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

 

7.              Wijzigingsbepalingen

a.              Burgemeester en Wethouders kunnen overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de bestemming wijzigen in die zin dat de op de plankaart aangegeven bouwgrenzen worden verlegd met het oog op uitbreiding, dan wel een verandering in de situering van hoofdgebouwen, met dien verstande dat:

1.              indien de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt, de wijziging slechts wordt toegepast in overeenstemming met een verkregen hogere grenswaarde;

2.              voor het overige de bepalingen uit dit artikel overeenkomstig van toepassing zijn.

 

b.              Burgemeester en Wethouders kunnen overeenkomst artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de bestemming wijzigen in die zin dat de gronden op de plankaart aangeduid met "wijzigingsgrens" wordt voorzien in een bouwvlak waarbinnen ten hoogste 2 woningen mogen worden gebouwd, met dien verstande dat:

1.              de woningen worden gebouwd in 1 of 2 bouwlagen met kap;

2.              indien de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt, de wijziging slechts wordt toegepast in overeenstemming met een verkregen hogere grenswaarde.

 

c.              De onder a en b bedoelde wijziging wordt uitsluitend toegepast mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

-         de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

-         het straat- en bebouwingsbeeld;

-         de sociale veiligheid;

-         de verkeersveiligheid;

-      de woonsituatie.

 

d.              Alvorens tot de onder b bedoelde wijziging wordt overgegaan dient een akoestisch onderzoek, bodemonderzoek, ecologisch onderzoek en de watertoets te worden uitgevoerd.