direct naar inhoud van Artikel 20 Maatschappelijk - 1
Plan: Bolsward Binnenstad
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.19000000040703VA01

Artikel 20 Maatschappelijk - 1

 

1.    Bestemmingsomschrijving

De voor Maatschappelijk - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    educatieve en informatieve voorzieningen en kinderopvang;

b.    levensbeschouwelijke voorzieningen;

c.    medische en sociaal-medische voorzieningen;

d.    het wonen, ter plaatse van de aanduiding “dienstwoning”;

e.    het behoud en herstel van de bestaande karakteristieke hoofdvorm, ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek”;

 

met daaraan ondergeschikt:

f.     restauratieve voorzieningen;

g.    parkeervoorzieningen;

h.    groenvoorzieningen;

i.      speelvoorzieningen;

j.      wegen, straten en paden;

k.    openbare nutsvoorzieningen;

l.      water;

 

met de daarbij behorende:

m.   tuinen, erven en terreinen.

2.    Bouwregels

2. 1. Op en in de gronden als bedoeld in lid 1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

a.    gebouwen ten dienste van de bestemming, zoals scholen, bibliotheken, kinderdagverblijven, kerken, thuiszorginstellingen, ziekenhuizen en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen, alsmede een dienstwoning ter plaatse van de aanduiding “dienstwoning” en de daarbijbehorende gebouwen en overkappingen;

b.    andere bouwwerken, zoals erf- en terreinafscheidingen.

2. 2. Voor het bouwen van de in lid 2.1. onder a genoemde gebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen gelden de volgende regels:

a.    een gebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b.    ter plaatse van de aanduiding “onderdoorgang”, mogen tot een hoogte van 3 m geen gebouwen worden gebouwd;

c.    de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste de in het bouwvlak aangegeven hoogte bedragen;

d.    de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste de in het bouwvlak aangegeven hoogte bedragen.


2. 3. Voor het bouwen van de in lid 2.1. onder a genoemde dienstwoning en de daarbijbehorende gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

a.    een dienstwoning zal worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding “dienstwoning”;

b.    er zal per aanduiding “dienstwoning”, ten hoogste één dienstwoning worden gebouwd;

c.    de oppervlakte van een dienstwoning zal ten hoogste 150 m² bedragen;

d.    de goothoogte van een dienstwoning zal ten hoogste de in het bouwvlak aangegeven hoogte bedragen;

e.    de bouwhoogte van een dienstwoning zal ten hoogste de in het bouwvlak aangegeven hoogte bedragen;

f.     de andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de (dienst)woonfunctie zullen binnen een bouwvlak en bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen dienstwoning worden gebouwd;

g.    de goothoogte van andere gebouwen ten dienste van de (dienst)woonfunctie zal ten hoogste 3 m bedragen;

h.    de bouwhoogte van andere gebouwen ten dienste van de (dienst)woonfunctie zal ten hoogste 5 m bedragen;

i.      de bouwhoogte van overkappingen ten dienste van de (dienst)woonfunctie zal ten hoogste 3 m bedragen;

j.      de gezamenlijke oppervlakte van andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de (dienst)woonfunctie zal ten hoogste 50 m² bedragen, met dien verstande dat:

-       ten hoogste 50% van het erf zal worden bebouwd met gebouwen en overkappingen.

2. 4. Voor het bouwen van de in lid 2.1. onder b genoemde andere bouwwerken gelden de volgende regels:

a.    de hoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1 m bedragen met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen op een afstand van meer dan 1 m achter de voorbouwgrens ten hoogste 2 m zal bedragen;

b.    de hoogte van overige andere bouwwerken zal ten hoogste 5 m bedragen.

3.    Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van dienstgebouwen voor bewoning;

b.    het gebruik van andere gebouwen ten dienste van de (dienst)woonfunctie voor zelfstandige bewoning;

c.    het gebruik van gronden en bouwwerken als zelfstandig horecabedrijf;

d.    het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel.

4.    Wijzigingsbevoegdheid

4. 1. Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:

a.    de bestemming “Maatschappelijk - 1” wordt gewijzigd in de bestemming “Maatschappelijk - 2”, mits:

1.    de betreffende functie op een adequate wijze wordt ontsloten;

2.    er voldoende parkeergelegenheden in het gebied aanwezig zijn;

b.    de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak wordt vergroot, dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:

1.    de vergroting ten hoogste 25% van de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;

2.    de afstand ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 3 m zal bedragen;

3.    de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;

c.    de ligging van de aanduiding “dienstwoning” wordt gewijzigd, mits:

1.    de afstand ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 3 m zal bedragen;

2.    de geluidsbelasting van de geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;

d.    de aanduiding “dienstwoning” wordt verwijderd;

e.    de aanduiding “karakteristiek” wordt aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden, dan wel door veranderde inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek wordt;

f.     de aanduiding “karakteristiek” geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, mits:

1.    de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;

2.    de karakteristieke hoofdvorm in zijn geheel redelijkerwijs niet te handhaven is in relatie tot de functie die het gebouw moet of uitsluitend nog kan vervullen;

3.    vooraf een advies is verkregen van de Commissie Binnenstad.

4. 2. Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 4.1. bedoelde wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.