direct naar inhoud van Artikel 30 Archeologisch, cultuurhistorisch en (cultuur)landschappelijk waardevol gebied
Plan: Bolsward Binnenstad
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.19000000040703VA01

Artikel 30 Archeologisch, cultuurhistorisch en (cultuur)landschappelijk waardevol gebied

 

1.    Bestemmingsomschrijving

De voor Archeologisch, cultuurhistorisch en (cultuur)landschappelijk waardevol gebied aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemmingen), tevens bestemd voor het behoud van archeologische, cultuurhistorische en (cultuur)landschappelijke waarden.

2.    Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van:

a.    bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 50 m² wordt uitgebreid;

b.    bouwwerken ten behoeve van archeologisch onderzoek; en

c.    bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 50 m² ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen.

3.    Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2 onder a en c en toestaan dat bouwwerken dat bestaande bouwwerken met meer dan 50 m² worden uitgebreid dan wel dat nieuwe bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 m² worden gebouwd, mits:

a.    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn; of

b.    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; of

c.    de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:

1.    een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of

2.    een verplichting tot het doen van opgravingen; of

3.    een verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de ontheffing voorwaarden te verbinden als bedoeld in sublid c. wordt de provinciaal archeoloog om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de ontheffing niet verleend.

 

 

4.    Aanlegvergunning

4. 1. Het is, in het gebied waarop deze bestemming betrekking heeft, verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:

a.    het ontgronden, afgraven, egaliseren en ophogen van gron­den en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodem­struc­tuur;

b.    het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,3 m, tenzij deze in het kader van onderzoek naar mogelijke historische vindplaatsen worden uitgevoerd;

c.    het graven, verdiepen of dempen van watergangen of waterpartijen;

d.    het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport- en/of communicatieleidingen.

4. 2. Het bepaalde in lid 4.1. is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

a.    het normale onderhoud betreffen;

b.    reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

c.    betrekking hebben op werken en werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 50 m².

4. 3. De in lid 4.1. genoemde vergunning zal slechts worden verleend, indien:

a.    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn; of

b.    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de activiteiten niet onevenredig worden geschaad; of

c.    de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de activiteiten kunnen worden verstoord:

1.    een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of

2.    een verplichting tot het doen van opgravingen; of

3.    een verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de aanlegvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sublid c. wordt de provinciaal archeoloog om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de aanlegvergunning niet verleend.

 

 

5.    Wijzigingsbevoegdheid

5. 1. Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:

-       de dubbelbestemming “Archeologisch, cultuurhistorisch en (cultuur)landschappelijke waardevol gebied” wordt verwijderd, mits:

-       vooraf een advies is verkregen van de provinciaal archeoloog.

5. 2. Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 5.1. bedoelde wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische, cultuurhistorische en (cultuur)landschappelijke waarden van het gebied.