direct naar inhoud van Artikel 8 Bedrijventerrein - 1
Plan: Bolsward Kom
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.00640000040702VA01-

Artikel 8 Bedrijventerrein - 1

 

1.    Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor Bedrijventerrein - 1 aangewezen gronden zijn be­stemd voor:

a.    bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, als­mede voor:

1.    een bouwmarkt, ter plaatse van de aanduiding “bouwmarkt”;

2.    een sportschool, ter plaatse van de aanduiding “sportschool”;

3.    een touringcarbedrijf, ter plaatse van de aanduiding “touringcarbe­drijf”;

4.    detailhandel behorend bij een installatiebedrijf, ter plaatse van de aanduiding “detailhandel bij installatiebedrijf”;

met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven;

b.    kantoordoeleinden;

c.    het wonen, ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”;

 

met daaraan ondergeschikt:

d.    restauratieve voorzieningen;

e.    parkeervoorzieningen;

f.     groenvoorzieningen;

g.    wegen, straten en paden;

h.    openbare nutsvoorzieningen;

i.      water;

 

met de daarbij behorende:

j.      tuinen, erven en terreinen.

2.    Bouwvoorschriften

2. 1. Op en in de gronden als bedoeld in lid 1, mogen uitsluitend worden ge­bouwd:

a.    bedrijfsgebouwen, waaronder zelfstandige kantoren, ter plaatse van de aanduiding “kantoren”, alsmede een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning” en de daarbij behorende gebouwen en overkappingen;

b.    andere bouwwerken, zoals erf- en terreinafscheidingen, palen en mas­ten.

2. 2. Voor het bouwen van de in lid 2.1. onder a genoemde bedrijfsgebou­wen en zelfstandige kantoren gelden de volgende bepalingen:

a.    het bebouwingspercentage van een bouwperceel zal ten hoogste 70% bedragen;

b.    een zelfstandig kantoor mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding “kantoren”;


c.    de afstand van een gebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens zal ten minste 5 m bedragen, met dien verstande dat een gebouw met één zij­gevel in de zijdelingse bouwperceelgrens mag worden gebouwd, mits twee gebouwen aanéén worden gebouwd;

d.    de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 4,5 m bedragen;

e.    de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 7 m bedragen.

2. 3. Voor het bouwen van de in lid 2.1. onder a genoemde bedrijfswonin­gen en de daarbij behorende gebouwen en overkappingen gelden de vol­gende bepalingen:

a.    een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”;

b.    er zal per bedrijf één bedrijfswoning worden gebouwd, tenzij in een aan­duidingsvlak een maximum aantal bedrijfswoningen is aangegeven, in welk geval het aantal bedrijfswoningen per bedrijf ten hoogste het in het aanduidingsvlak aangegeven aantal zal bedragen;

c.    de oppervlakte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 150 m² bedra­gen;

d.    de goothoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 6 m bedragen;

e.    de bouwhoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 10 m bedragen;

f.     de andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de (be­drijfs)woonfunctie zullen bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen be­drijfswoning worden gebouwd en dienen bouwkundig één geheel te vormen met de op hetzelfde bouwperceel gelegen bedrijfswoning;

g.    de goothoogte van andere gebouwen ten dienste van de (be­drijfs)woonfunctie zal ten hoogste 3 m bedragen;

h.    de bouwhoogte van andere gebouwen ten dienste van de (be­drijfs)woonfunctie zal ten hoogste 5 m bedragen;

i.      de bouwhoogte van overkappingen ten dienste van de (be­drijfs)woonfunctie zal ten hoogste 3 m bedragen;

j.      de gezamenlijke oppervlakte van andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie zal ten hoogste 50 m² bedra­gen.

2. 4. Voor het bouwen van de in lid 2.1. onder b genoemde andere bouwwer­ken gelden de volgende bepalingen:

a.    de hoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2 m bedra­gen;

b.    de hoogte van overige andere bouwwerken zal ten hoogste 5 m bedra­gen, met dien verstande dat:

1.    de hoogte van masten, niet zijnde antennemasten, en palen ten hoog­ste 10 m zal bedragen;

2.    de hoogte van antennemasten ten hoogste 15 m zal bedragen;

tenzij op de plankaart in een bouwperceel een andere hoogte is aangege­ven, in welk geval de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste de op de plankaart aangegeven hoogte zal bedragen.


3.    Specifieke gebruiksvoorschriften

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 1.1 van de algemene gebruiksbepalingen, wordt in ieder geval gerekend:

a.    het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bewoning;

b.    het gebruik van andere gebouwen ten dienste van de (be­drijfs)woonfunctie voor zelfstandige bewoning;

c.    het gebruik van gronden en bouwwerken voor bedrijfsdoeleinden, an­ders dan in combinatie met een op hetzelfde bouwperceel gelegen be­drijfswoning;

d.    het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bedrijfsdoeleinden, indien de be­drijfsvloeroppervlakte van bedrijfsgebouwen per bouwperceel minder bedraagt dan 100 m²;

e.    het gebruik van gronden en bouwwerken voor bedrijven, anders dan welke zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, dan wel indien de gronden op de plankaart zijn voorzien van een aanduiding met een specifieke bedrijfstypering, het gebruik van deze gronden en bouwwerken voor andere dan deze c.q. de in bijlage 1 onder de catego­rieën 1 en 2 genoemde bedrijven;

f.     het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren, ten­zij de gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding “kantoren”, in welk geval:

1.    de bedrijfsvloeroppervlakte per zelfstandig kantoor niet meer zal be­dragen dan 600 m²;

2.    uitsluitend zelfstandige kantoren zijn toegestaan met een lokale dan wel regionale functie welke voornamelijk extern gericht zijn;

g.    het gebruik van gronden en bouwwerken, die op de plankaart zijn voor­zien van de aanduiding “kantoren”, voor dienstverlenende kantoren met een sterke publieks- en baliefunctie;

h.    het gebruik van gronden en bouwwerken voor een aan het bedrijf onder­geschikte kantoorfunctie, indien de kantoorvloeroppervlakte per bedrijf meer bedraagt dan 20% van de gezamenlijke bedrijfsvloeropper­vlakte met een maximum van 100 m²;

i.      het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel, met uitzonde­ring van:

1.    productiegebonden detailhandel,

2.    een bouwmarkt, ter plaatse van de aanduiding “bouwmarkt”;

3.    detailhandel behorend bij een installatiebedrijf, ter plaatse van de aanduiding “detailhandel bij installatiebedrijf”;

j.      het gebruik van gronden en bouwwerken die op de plankaart zijn voor­zien van de aanduiding “bouwmarkt”, voor de uitoefening van detail­handel indien de detailhandelsactiviteit niet gecombineerd wordt uitge­oefend met een andere conform deze bestemming toegestane bedrijfs­activiteit;

k.    het gebruik van gronden en bouwwerken die op de plankaart zijn voor­zien van de aanduiding “bouwmarkt”, voor de uitoefening van detail­handel, indien ter plaatse niet wordt voorzien in tenminste 1 parkeer­plaats op 50 m² bedrijfsvloeroppervlakte;

l.      het gebruik van gronden en bouwwerken die op de plankaart zijn voor­zien van de aanduiding “detailhandel bij installatiebedrijf”, voor de uit­oefening van zelfstandige detailhandel;

m.   het gebruik van gronden en bouwwerken die op de plankaart zijn voor­zien van de aanduiding “detailhandel bij installatiebedrijf”, voor de uit­oefening van ondergeschikte detailhandel met een bedrijfsvloeropper­vlakte van meer dan 100 m²;

n.    het gebruik van gronden en bouwwerken voor de opslag en verkoop van vuurwerk;

o.    het gebruik van gronden en bouwwerken als verkooppunt van motor­brandstoffen.

4.    Wijzigingsbevoegdheid

4. 1. Burgemeester en Wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:

a.    bedrijven kunnen worden gevestigd die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in bij­lage 1 onder de categorieën 1 en 2, mits:

1.    het gaat om bedrijven die niet zijn genoemd in bijlage 1, maar die qua milieubelasting gelijkwaardig zijn aan de bedrijven die wel wor­den genoemd of bedrijven die wel zijn genoemd in bijlage 1 onder een hogere categorie dan 2, maar in een individueel geval feitelijk een lagere milieubelasting kunnen hebben;

2.    het geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtin­gen en vuurwerkbedrijven betreft;

b.    de aanduiding “detailhandel” op de plankaart wordt aangebracht, mits:

1.    het gaat om detailhandel met een kleinschalig karakter;

2.    het gaat om detailhandel dat gecombineerd wordt uitgeoefend met een reparatie-inrichting of een installatiebedrijf dan wel een naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen bedrijf;

3.    de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van detailhan­del ten hoogste 100 m² per bedrijf bedraagt;

4.    er blijkens een in te stellen distributie-planologisch onderzoek de be­staande distributiestructuur niet onevenredig wordt aangetast;

5.    er voldoende parkeergelegenheden op het terrein aanwezig zijn;

c.    de aanduiding “bouwmarkt”, “sportschool”, “touringcarbedrijf” of “detail­handel bij installatiebedrijf” van de plankaart wordt verwijderd, mits:

-       de betreffende functie ter plaatse is beëindigd;

d.    wordt afgeweken van de in de voorschriften opgenomen afstandseisen ten aanzien van de ligging van bedrijfsgebouwen, mits:

1.    de geluidsbelasting van de geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde ho­gere grenswaarde;

2.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkun­dige uitgangspunten van het gebied, waarbij met name rekening wordt gehouden met de oppervlakte en de ligging van een op het­zelfde bouwperceel gelegen bedrijfswoning;


e.    de ligging van de aanduiding “bedrijfswoning” wordt gewijzigd, mits:

1.    de afstand ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelgrens ten min­ste 3 m zal bedragen;

2.    de geluidsbelasting van de geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde ho­gere grenswaarde;

3.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkun­dige uitgangspunten van het gebied, waarbij met name rekening wordt gehouden met de oppervlakte en de ligging van een op het­zelfde bouwperceel gelegen bedrijfsgebouw;

f.     op de plankaart in een bouwperceel een (ander) bebouwingspercen­tage en/of andere goothoogte en/of andere bouwhoogte wordt aange­geven, mits:

1.    het bebouwingspercentage van het bouwperceel ten hoogste 80% zal bedragen;

2.    de goothoogte van een gebouw ten hoogste 8 m zal bedragen;

3.    de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste 10 m zal bedragen;

g.    op de plankaart in een bouwperceel een grotere hoogte voor het bou­wen van andere bouwwerken wordt aangegeven, mits:

1.    de hoogte van antennemasten ten hoogste 25 m bedraagt;

2.    de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 10 m bedraagt.

4. 2. Burgemeester en Wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 4.1. bedoelde wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusitua­tie, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

5.    Procedurebepalingen

5. 1. Op de voorbereiding van een besluit tot een wijziging als bedoeld in lid 4.1. onder a en b is de volgende procedure van toepassing:

a.    een ontwerpwijzigingsbesluit ligt gedurende zes weken ter inzage op het gemeentehuis;

b.    Burgemeester en Wethouders maken deze ter-inzage-legging van te vo­ren bekend in een of meer dag of nieuwsbladen die in de gemeente worden verspreid en voorts op de gebruikelijke wijze;

c.    in de bekendmaking wordt melding gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van schriftelijke zienswijzen gedurende de ter-inzage-legging.

 

5. 2. Op de voorbereiding van een besluit tot een wijziging als bedoeld in lid 4.1. onder c t/m g is de volgende procedure van toepassing:

a.    een ontwerpwijzigingsbesluit ligt gedurende vier weken ter inzage op het gemeentehuis;

b.    Burgemeester en Wethouders maken deze ter-inzage-legging van te vo­ren bekend in een of meer dag of nieuwsbladen die in de gemeente worden verspreid en voorts op de gebruikelijke wijze;

c.    in de bekendmaking wordt melding gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van schriftelijke zienswijzen gedurende de ter-inzage-legging.